| Failliet |
|
| vrijdag 01 mei 2009 | |
|
Begin april werd de branche opgeschrikt door het faillissement van modebedrijf Oilily. Als een bedrijf over de kop gaat maakt dat emotionele reacties los. Ook hier volgde ongeloof, verbazing en verontwaardiging elkaar in snel tempo op. Wanneer gaan bedrijven failliet? Toch niet alleen die crisis? En hoe gaan ondernemers daar mee om?
“Een paar maanden geleden wilde ik een leasecontract afsluiten voor een nieuwe auto. Niets bijzonders, gewoon een goede middenklasser. Dat kon niet, omdat nog steeds dat faillissement van vijf jaar geleden achter mijn naam staat.” Aan het woord is een ondernemer die al ruim dertig jaar actief is in de modebranche. Met 75 winkels geen kleine speler en ja, hij heeft een faillissement meegemaakt en zijn bedrijf er weer bovenop gekregen. Hij doet zijn verhaal anoniem, om zijn hart te luchten, maar ook omdat hij ondernemers die nu in financiële moeilijkheden verkeren een hart onder de riem wil steken. Want, “mensen in de fashion business zijn de meest prettige mensen die ik ken”.
Het faillissement is van alle tijden. ‘Kijken we naar de geschiedenis van het ondernemerschap, dan blijkt dat elke onderneming net zo sterfelijk is als de mens’, schreef Robert J. Blom in ‘Faillissement. Oorzaak en Gevolg’ dat in 2004 werd gepubliceerd. De afgelopen maanden gaat het echter wel heel hard. Wekelijks is er een groot faillissement in het nieuws. Het ligt voor de hand de oorzaak te zoeken bij de huidige economische malaise. Als er geen geld wordt uitgegeven en niet wordt uitgeleend, kan immers niemand zijn rekeningen betalen. Toch blijkt uit meerdere onderzoeken (de laatste dateert weliswaar uit 1999) dat faillissementen nooit een direct gevolg zijn van externe economische omstandigheden. Volgens Blom worden problemen als gevolg van slecht- en niet betalende debiteuren door ondernemers vaak omschreven als economische oorzaken. Hij noemt dit een onterechte aanduiding. “Problemen van deze aard zijn het gevolg van een slecht, of ontbrekend debiteurenbeleid bij de onderneming zelf.” De enige relatie die wel kan worden aangetoond tussen economie en faillissement is indirect: op een periode waarin méér bedrijven zijn opgericht, volgt een periode waarin meer faillissementen worden uitgesproken. Ook in het slechte economische klimaat anno 2009 zijn de conclusies volgens hem van toepassing. Hij is streng: “Er zijn nu misschien wat méér faillissementen, maar de oorzaak blijft hetzelfde: slecht ondernemerschap.”
Uit gegevens van Dun & Bradstreet blijkt dat het aantal faillissementen in de modebranche (inclusief werkkleding en schoeisel) in Nederland in het eerste drie maanden van dit jaar bijna is verdubbeld vergeleken met dezelfde periode vorig jaar. Vooral het aantal faillissementen onder groothandels in bovenkleding nam toe: van drie in 2008 naar twaalf in 2009. “Onze branche is extra kwetsbaar vanwege de bovenmatige betalingsproblemen,” nuanceert Frans van der Hoorn, directeur van ondernemersorganisatie Modint. “Daar staat de modebranche om bekend.” Daarnaast wijst hij op de ‘lage toetredingsdrempel’, “je ziet dat creatieve mensen in fashion vrij snel voor zichzelf beginnen, zonder dat zij over de noodzakelijke papieren of ervaring beschikken. Dat werkt een hoog aantal mislukkingen in de hand.” Het onderzoek van Blom bevestigt dit. Het aantal faillissementen onder jonge, onervaren ondernemers blijkt vele malen hoger dan onder hen die al langer (langer dan vier jaar) actief zijn. “Maar” zegt Van der Hoorn, “daar staat tegenover dat omgevallen modebedrijven er vaak ook betrekkelijk snel weer bovenop klimmen en een nieuwe start maken.”
Een herstart klinkt aanlokkelijk, maar een faillissement betekent wel dat kennis en kapitaal voor de maatschappij verloren gaat. (En dan houden wij hier alleen rekening met de integere gevallen en niet met zogenaamd technische faillissementen of paulianeus handelen wat strafbaar is.) Een faillissement reikt verder dan de failliet verklaarde onderneming zelf. Mensen verliezen hun baan, rekeningen worden niet voldaan en leveranciers blijven met lege handen achter. Meest schrijnend is het wanneer een domino-effect optreedt en het ene faillissement het andere veroorzaakt. Blom berekende dat de zichtbare faillissementsschade en schuldsanering in 2003 uit kwam op een bedrag van drie miljard euro. Een kostenpost die door de samenleving moet worden opgebracht. De auteur die tevens wethouder is in Alphen aan den Rijn, richt zich in zijn onderzoek op de vraag of slecht lopende bedrijven eerder zouden kunnen worden opgespoord. Hij redeneert dat wanneer het faillissement minder lang wordt uitgesteld, de schuldenlast achteraf minder hoog oploopt. In dat kader pleit hij voor afschaffing van de surseance van betaling (“een non-instrument dat het leven van een slecht draaiende onderneming nodeloos rekt”). In de praktijk blijkt dat het merendeel van de bedrijven dat uitstel van betaling aanvraagt het uiteindelijk niet redt, onder meer omdat het verlenen van surseance stigmatiserend werkt. Het opsporen van slecht lopende ondernemingen is echter problematisch, wie kan immers bepalen of een bedrijf (nog) levensvatbaar is of niet? “De accountant” zegt Blom. Bedrijfaccountants in Duitsland en Frankrijk moeten het melden wanneer de schuldenlast ‘onaanvaardbaar’ hoog oploopt. Frans van der Hoorn van Modint ziet heil in de dienstverlening die zijn organisatie biedt: consultancy en credit management. Daarnaast spant Modint zich in om de kredietverlening door banken aan bedrijven, iets dat sinds aanvang van de kredietcrisis uitgesproken stroef gaat, weer op gang te krijgen. “Nu willen banken helemaal geen risico meer nemen. Dat is dodelijk voor een branche die zo sterk afhankelijk is van seizoenen en voorfinanciering als de onze. Ook voor bedrijven waar het in normale omstandigheden wel goed gaat.” Eerder genoemde modeondernemer die anoniem wil blijven, ziet voordelen in een maatregel die Frankrijk recent heeft genomen. “President Sarkozy heeft verplicht gesteld dat alle rekeningen binnen dertig dagen worden voldaan. Nou was Frankrijk berucht om zijn slechte betalingsgewoontes. Maar ik denk dat slecht lopende bedrijven met deze maatregel sneller worden opgespoord.”
Het faillissement is van alle tijden, maar door de huidige bankencrisis en recessie is de situatie er voor bedrijven in de modebranche niet makkelijker op geworden. Een faillissement maakt bovendien emotionele reacties los. Dat van Oilily haalde begin april alle grote kranten. Hoewel de officiële berichtgeving wel neutraal bleef, werd elders volop gespeculeerd over de reden van de moeilijkheden. Oilily was onvoldoende met zijn tijd meegegaan, de collecties waren gedateerd en de kleding veel te duur. Het merk had zich op de goedlopende kinderkleding moeten concentreren en er beter aan gedaan te stoppen met de damesmode die het veel minder goed deed. ‘Eigen schuld, dikke bult’ was de teneur. Ondertussen bleef het van de kant van het bedrijf stil. Medewerkers kregen zwijgplicht opgelegd. ‘Anders dan in Amerika wordt de ondernemer in Nederland met de nek aangekeken als hij of zij failliet gaat,’ schreef de bekende econoom Arnold Heertje in het voorwoord bij het boek van Robert Blom. De betrokken ondernemer wordt onkunde verweten, het is een prutser of zelfs een dief. “Je bent een misdadiger”, zegt de ondernemer die het zelf heeft meegemaakt, “alsof je er beter van geworden bent.” De buitenwereld is zich vaak niet bewust hoe diep een faillissement ingrijpt in het persoonlijk leven van de gefailleerde. Het is een zwarte bladzijde in de levens van de ondernemer en zijn gezin. “Mijn vrouw, mijn kinderen, zelfs mijn ouders hebben er last van gehad. Het tast je vertrouwen in anderen aan, ik ben voorzichtig geworden.” In een persbericht vertelde Age Hollander die Oilily drie weken voor het faillissement overnam, over de vele warme reacties die hij na aanleiding van het nieuws had ontvangen. “Deze bewijzen maar weer dat het merk niet mag verdwijnen,” zei hij. In eigen stal was de motivatie ook hoog. Personeel van het hoofdkantoor dat door de situatie even geen werk om handen had ging meehelpen in de winkels, zodat die open konden blijven. Zo brachten de recente gebeurtenissen bij Oilily ook mooie reacties aan het licht. Begin mei werd bekend dat oprichter Willem Oltshoorn Oilily heeft teruggekocht. De overname betreft echter alleen de merknaam en niet het bedrijf. Daarmee is een herstart van Oilily onwaarschijnlijk geworden. De winkels zijn definitief gesloten en alle medewerkers ontslagen. |


