Jeans nog niet zo Eco E-mail
donderdag 07 augustus 2008
Er is al veel actie ondernomen om de milieubelasting van spijkerbroeken op het milieu te beperkerken, maar genoeg is het nog niet. Niet alleen kan de productie nóg milieuvriendelijker, ook consumenten zouden meer kunnen doen.

Met de toegenomen aandacht voor het milieu is het opmerkelijk dat jeans onverminderd populair zijn. De productie van één katoenen spijkerbroek van negenhonderd gram kost volgens onderzoek van Milieu Centraal 7380 liter water, 144 MegaJoule aan energie en levert negen kilo CO2 uitstoot op.

Tel daarbij op het aantal chemicaliën dat nodig is. De katoenteelt heeft een flink aandeel in 's werelds totaalverbruik aan pesticiden en insecticiden, respectievelijk 10 procent en 25 procent. Jaarlijks wordt, volgens datzelfde onderzoek, 150.000 tot 250.000 ton aan chemicaliën uitgestort over katoenvelden. Per spijkerbroek wordt -hoewel het sterk regio-afhankelijk is- zo'n 16,2 gram aan gewasbeschermingsmiddelen gebruikt.

En dan is er alleen nog maar katoen. Om de katoen te verwerken tot spijkerbroek, moet de stof bewerkt worden. Kort samengevat kun je stellen dat hoe meer bewerkingen een spijkerbroek ondergaat, hoe korter de levensduur ervan wordt en hoe schadelijker voor het milieu.

Om de spijkerbroek te voorzien van zijn kenmerkende blauwe kleur wordt al sinds lange tijd Indigo gebruikt, dat gewonnen wordt uit planten of op een synthetische wijze, maar waarbij hoe dan ook schadelijke stoffen vrij komen. En dan de wassing, het stonewashen bijvoorbeeld: Oorspronkelijk gebeurde dat door de broeken een wasbeurt te geven in een machine met daarin puimsteen: een halve kilo puimsteen per kilo jeans. Tijdens het wassen verpulvert de helft van die stenen. Om dat puimsteengruis weer uit de broeken te krijgen, is veel water nodig. Tot slot zorgt een dergelijke behandeling er niet alleen voor dat de levensduur van de broek beperkt wordt, maar ook de wasmachines gaan hierdoor minder lang mee.

Natuurlijk wordt er hard aan gewerkt om de milieuvriendelijkheid van jeans te verbeteren. Levi Strauss heeft bijvoorbeeld een phase-out list, een lijst met chemische stoffen die het bedrijf niet meer wil gebruiken en die het gefaseerd laat verdwijnen uit het productieproces. Vervolgens komt de stof dan op de Restricted Substances List te staan: dat betekent dat het gebruik van de stof verboden is voor leveranciers.

Biologisch katoen

Verder is het gebruik van biologische katoen is inmiddels breed opgepakt door ketens als H&M en C&A en ook door zelfstandige jeansmerken als Jack&Jones en Kuyichi. Uit gegevens van Organic Exchange blijkt dat de productie van biologisch katoen in een jaar tijd wereldwijd met ruim 53 procent is toegenomen. De verkoop van het product neemt evenredig toe. In 2005 werd wereldwijd voor $583 miljoen aan biologisch katoen omgezet en de verwachting is dat dit bedrag eind 2008 zal zijn opgelopen tot $2,6 miljard.

Verder zijn er labels en keurmerken waaraan consumenten kleding kunnen herkennen die gefabriceerd zijn met aandacht voor het milieu. Labels die strenge milieu-eisen stellen zijn bijvoorbeeld: EKO, Europees Ecolabel, IVN en Demeter. Naast deze milieukeurmerken zijn er nog kledingkeurmerken met milieu als deelaspect. Dit zijn het Ökotex Standard 100 keurmerk, dat een garantie biedt voor de afwezigheid van schadelijke stoffen in de kleding, en het Max Havelaar-keurmerk dat eisen heeft om de milieubelasting van de katoenteelt te beperken, maar geen eisen stelt aan de bewerking van de stof. De modebranche heeft zelf ook labels in het leven geroepen, zoals Made By. De merken die bij deze organisatie aangesloten zijn geven ermee aan dat ze de voorkeur geven aan gebruik van biologische katoen en aan samenwerking met naaifabrieken met een sociale gedragscode. Ook hier wordt niet gekeken naar de vervolgbehandeling, zoals verven. Wel is hiervoor een standaard in ontwikkeling.

Maar ook biologische katoen, blijft katoen. En ook de productie daarvan kost dus veel water en energie. Tegenwoordig zijn er milieuvriendelijker alternatieven voor het fabriceren van een spijkerbroekgrondstof in ontwikkeling zoals viscosevezels als Lyocell, dat vermengd kan worden met katoen, waardoor er minder katoen nodig is. Voor de productie van Lyocell kunnen oplosmiddelen worden gebruikt die niet giftig zijn en die bijna helemaal kunnen worden teruggewonnen. Bovendien is er minder verf nodig omdat dit materiaal gemakkelijker en sneller te verven is.

Ook voor die verf zijn alternatieven in de maak: zo is het bijvoorbeeld mogelijk om indigoverf te maken uit suikers of bacterieën. Dat is minder schadelijk, maar wel prijziger. Het stonewashen gaat eveneens beter: In meer dan de helft van de stonewash-bewerkingen wordt volgens Milieu Centraal gebruik gemaakt van enzymen in plaats van puimsteen, waardoor er water en energie worden bespaard.

Kortom, al is de productie van spijkerbroeken nog verre van ideaal te noemen, onder producenten zjn er initiatieven genoeg om dit te verbeteren. Door alles bij de producent neer te leggen, wordt het consumenten echter wel érg makkelijk gemaakt om milieubewust te doen. Als het milieu hen echt zo na aan het hart ligt, kunnen zij zelf ook actie ondernemen om de invloed van hun spijkerbroek op het milieu te beperken. Om dat te stimuleren is het United Nations Environment Programme (UNEP) daarom onlangs een mediacampagne begonnen onder de titel 'Eco-tips for Jeans'. Daarin worden consumenten aangemoedigd hun spijkerbroek minstens drie keer te dragen alvorens hem in de wasmachine te gooien en die was uiteindelijk te doen op een zo laag mogelijke temperatuur. Verder is het beter de broek te laten drogen aan de waslijn in plaats van de droger en om hem niet te strijken. Door al deze maatregelen op te volgen, kunnen consumenten vijf keer minder energie verbruiken. Dat maakt de aankoop van een nieuwe denim alweer makkelijker te verteren.

Milieubelasting van kleding

In 2007 onderzocht de organisatie Milieu Centraal welk effect het gedrag van consumenten heeft op het milieu. Daaruit werd duidelijk dat het milieu het meest belast wordt door autorijden, eten en wonen. De hele levenscyclus van het 'kleden' vergeleken met de andere activiteiten van consumenten, zorgt voor 8 procent van de milieubelasting. Ter vergelijking: voeding belast het milieu voor 30 procent. Als schoenen en accessoires niet worden meegerekend bedraagt de invloed van de kleding op de klimaatverandering nog maar 4,2 procent.

De levenscyclus van een kledingstuk is onder te verdelen in de productiefase, de gebruiksfase (wassen, strijken) en de afdankfase. Voor de in Nederland gedragen kleding geldt dat de productiefase van kleding de hoogste milieubelasting heeft, gemeten naar het energieverbruik, de broeikasgasemissie en het waterverbruik.

De productiefase is weer onder te verdelen in de materiaalproductie (vezel, garen en doek), het bewerken van de stof en de confectiefase (het naaien van de kledingstukken). Uit onderzoek van TNO blijkt dat de milieubelasting van kleding vooral samenhangt met de materiaalproductie: De milieubelasting van de materiaalproductie, gemeten naar energie- en waterverbruik, maakt driekwart uit van de totale milieubelasting van de productiefase van kleding. Daarnaast worden bij het bewerken van de stof allerlei chemicaliën gebruikt om hem te verven en kreukvrij, krimpwerend en brandveilig te maken.

Daarom geldt dat hoe langer een kledingstuk meegaat, hoe milieuvriendelijker het is: immers over hoe meer tijd de milieubelasting van de productie wordt uitgesmeerd. Wel is er nog steeds milieubelasting als gevolg van het dragen en wassen van een kledingstuk.

(Bron: Milieu Centraal)


 
in