Modebedrijven verplaatsen productie voor snelheid

woensdag 26 oktober 2011

Produceren in lagelonenlanden: het was lange tijd dé manier voor grote winkelketens om de kosten en de prijs van kleding laag te houden, maar snelheid is tegenwoordig het toverwoord. In het internettijdperk waar trends elkaar razendsnel opvolgen is de behoefte aan speed-to-market toegenomen. En op de 27e editie van de IAF World Apparel Convention afgelopen maand in Mexico bleek dat consumenten daar zelfs dieper voor in de buidel willen tasten.

Produceren in eigen land of regio kost meer, maar als de retailer voldoet aan de vraag van de consument en de collectie als eerste brengt, kan het uiteindelijk meer opleveren. De Inditex Group, waar modeketens Zara, Stradivarius en Bershka onder vallen, kan door te produceren in thuisland Spanje en Oost-Europa de laatste trends binnen twee weken ontwerpen, produceren en in de winkels hangen. Terwijl de modellen nog over de catwalk liepen in de lente/zomercollecties voor 2012 tijdens de Parijse Fashion Week, stuurden de ontwerpteams van de winkelketens al schetsen naar hun fabrieken volgens de zomertrends van volgend jaar. Zodat de modeformules van Inditex al maanden voor de collecties van grote modehuizen in de winkels hangen, de trends in hun assortiment hebben.

Maar de afstand tussen de lagelonenlanden en het thuisland zit deze speed-to-market in de weg. Ook op financieel gebied is produceren in lagelonenlanden een stuk minder aantrekkelijk geworden. De katoenprijzen zijn sterk gestegen door de toegenomen vraag uit China, India en Brazilië. En door de economische groei in China, stijgen ook de lonen in het land mee.

Winkelketen H&M, die tweederde van haar collectie in Azïe laat produceren, merkte de eerste negen maanden van 2011 al een hoop van de kostenstijging. Het bedrijf rapporteerde een winst van 10,464 miljard Zweedse kroon (1,14 miljard euro), een daling van zo'n 20 procent ten opzichte van dezelfde periode vorig jaar. Toen kwam de nettowinst nog uit op 13,194 miljard kroon (1,45 miljard euro). Maar de Inditex Group liet wel een forse winstgroei zien. De arbeidslonen van werknemers in Europese fabrieken zijn dan wel hoger, maar stijgen minder snel. Uit onderzoek van Modint is gebleken dat tussen 2005 en 2010 het uurloon in Spaanse fabrieken met 17 procent steeg, maar het uurloon in Chinese fabrieken met maar liefst 89 procent toenam.

In de Verenigde Staten hebben daarom een hoop bedrijven ervoor gekozen om - een gedeelte van - hun productie te verplaatsen naar hun eigen continent. Onder meer Abercrombie & Fitch, JC Penny’s, VF, Men’s Warehouse, Walmart, Kohls en Dollar Store laten steeds meer produceren in hun eigen regio. Dit jaar zijn de eerste resultaten zichtbaar: de aanwezigheid van leveranciers op het Westelijk Halfrond is verviervoudigd en China heeft voor het eerst aandeel op de Amerikaanse markt verloren. Met name het aantal fabrikanten van bovenkleding, herenkostuums, jeans en fast-fashion voor vrouwen is in Noord- en Zuid-Amerika toegenomen. Ook de cijfers liegen er niet om. Als Amerikaanse modebedrijven produceren in China, Vietnam en Bangladesh duurt het 85 tot 120 dagen voordat het in de winkels ligt, terwijl leveranciers in Mexico, Honduras, Nicaragua en Haïti binnen 54 à 60 dagen collecties op de Amerikaanse markt kunnen leveren. De productie in de Latijns-Ameirkaanse landen is dan ook toegenomen.

Volgens Han Bekke, algemeen directeur van Modint, zijn Europese modebedrijven nog niet bezig om hun productie te verplaatsen naar hun eigen regio. “De trend is nog erg vers,” verklaart Bekke. “Bedrijven zijn zich nu door de stijging van de loonkosten in China en de toegenomen lokale marktvraag vooral aan het oriënteren op het verplaatsen van de productie.”

Lees hier meer over de IAF World Apparel Convention.