Rana Plaza als eyeopener

donderdag 24 april 2014

Vijf jaar geleden was het een keuze. Wilde je Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO) als kledingbedrijf of niet? Na de grootste ramp in de textielindustrie ooit - het instorten van Rana Plaza in Bangladesh, vandaag precies één jaar geleden - loop je als bedrijf achter als je weigert je in te zetten voor veilige werkomstandigheden of duurzame grondstoffen. Han Bekke, voorzitter van brancheorganisatie Modint: "Het is verschrikkelijk wat er is gebeurd in Bangladesh, maar het heeft wel de ogen geopend van veel modebedrijven."

Vandaag precies een jaar geleden, op 24 april 2013, stortte een gebouwencomplex aan de rand van Dhaka, in Bangladesh, in. Bijna 1200 werknemers zijn omgekomen bij de ramp. Meer dan 2500 arbeiders raakten gewond.

Rana Plaza, zo als het gebouw heette, huisvestte vijf kledingfabrieken, een bank en op de begane grond een aantal winkels. Dertig modemerken zijn direct gelinkt aan één van de fabrieken die in Rana Plaza gevestigd waren. Zij hadden ofwel productie lopen ten tijde van de instorting, dan wel ervoor. Het gaat om merken als C&A, Mango, Benetton, Primark en Inditex.

Dagen voordat het complex - waarvan twee verdiepingen illegaal waren gebouwd - instortte, bleken er grote scheuren te zitten in de muren en plafonds. Werknemers van de bank en de winkels hoefden niet naar hun werk, maar de medewerkers van de textielfabrieken moesten naar boven. Wie niet zou komen zou ontslagen worden of een loonsverlaging krijgen. Textielarbeiders kregen een salaris van zo'n 30 dollar per maand. De angst om hun inkomen te verliezen was zo groot, dat duizenden arbeiders gewoon aan de slag gingen.

Inmiddels is het minimumloon van de textielarbeiders in Bangladesh met 70 procent verhoogd naar 50 euro per maand. Volgens de Asia Floor Wage Alliance komt een leefbaar loon - het salaris dat werknemers in staat stelt om in de basisbehoeften van een gezin te voldoen - echter neer op 259,80 euro per maand. De loonsverhoging brengt ook nieuwe problemen. Zo verdienen textielarbeiders nu veel meer dan bijvoorbeeld leraren. En fabriekseigenaren klagen dat ze door de extra loonkosten geen geld meer kunnen steken in de verbetering van de veiligheid van de gebouwen.

Ook kwam er een fonds om om slachtoffers te compenseren. In totaal is ruim 29 miljoen euro nodig om iedereen een eerlijke vergoeding te betalen, maar volgens de organisatie Schone Kleren is er slechts een derde van dit bedrag door de kledingmerken bijeengebracht. “Merken laten de werknemers voor de tweede keer vallen,” zegt Christa de Bruin van de Schone Kleren Campagne in een persbericht. “Eerst faalden ze om te verzekeren dat de fabrieken waar ze kleding lieten maken veilig waren, en nu laten ze de overlevenden en de families die een dierbare verloren, compleet in de steek door niet substantieel bij te dragen aan het Donor Trust Fund.”

Een jaar na de ramp in Bangladesh

150 merken en retailers, waaronder H&M en C&A en PVH, uit twintig landen ondertekenden na de ramp het Akkoord voor Brand- en Bouwveiligheid in Bangladesh. Door het Akkoord, een wettelijk bindende overeenkomst, zijn er meer en grondigere inspecties in de kledingfabrieken. De bevindingen zijn openbaar. Een aantal Amerikaanse en Canadese modebedrijven, waaronder Walmart en Gap, sloot zich aan bij de Alliantie voor Arbeidersveiligheid in Bangladesh.

Zeventien Nederlandse bedrijven hebben het veiligheidsakkoord ondertekend. Volgens Han Bekke vertegenwoordigen zij 60 à 70 procent van de Nederlandse mode-industrie. Bedrijven die nog niet hebben getekend, hebben daar verschillende redenen voor. "Dat zijn vaak kleine bedrijven. Door het Akkoord te ondertekenen verplicht je je als bedrijf om voor een aantal jaar te blijven werken met een bepaalde fabriek, dat is voor kleine merken niet niks. Toch blijven wij ons best doen om meer bedrijven te laten aansluiten bij het Akkoord."

In Nederland werd in juni 2013 het plan van aanpak 'Verduurzaming Nederlandse textiel- en kledingsector 1.0' gepresenteerd. Dit plan is door het bedrijfsleven, non-gouvernementele organisaties, vakbonden en de overheid in het leven geroepen, om de sector te verduurzamen en zowel de werkomstandigheden als het milieu te verbeteren. Het plan van aanpak wordt verder uitgewerkt door tien werkgroepen, onder leiding van projectmanager Jolande Sap van MVO Nederland. De werkgroepen zijn deze maand van start gegaan en houden zich bezig met thema's als veiligheid, vrijheid van vakbond, grondstoffen en kinderarbeid. "De brede aanpak spreek mij aan," zegt Sap. "Momenteel hebben 35 bedrijven zich aangesloten. Een aantal van hen heeft al toegezegd de hele keten te gaan uitpluizen, dus ook te kijken hoe het er aan toe gaat bij toeleveranciers."

Het project heeft een looptijd tot eind 2015. Sap hoopt dat tegen die tijd meer bedrijven zich hebben aangesloten en dat er veel in beweging is gezet in de sector. "Je moeten een lange adem hebben om de branche te verduurzamen, maar we hopen dat we in 2015 al veel hebben veranderd en het nooit meer zo erg zal worden als nu."

Modetop in Kopenhagen

Meer dan duizend belanghebbenden uit de modebranche, politici en beleidsmakers verzamelen zich vandaag in Kopenhagen om tijdens de Copenhagen Fashion Summit te praten over wat er is veranderd het afgelopen jaar en wat er nog gedaan moet worden in de textielindustrie. Naast het herdenken van de slachtoffers, zal directeur Alan Roberts van het Bangladesh Accord een samenvatting geven van de inspanningen en spreken over de oplossingen die worden uitgevoerd om een nieuwe ramp te voorkomen.

"De Rana Plaza-ramp in Bangladesh is een van de vele verschrikkelijke voorbeelden van de donkere kant van de mode-industrie. Het onderstreept hoe belangrijk het is dat we blijven vechten voor een verantwoorde mode-industrie met verbeterde werkomstandigheden in veilige faciliteiten," aldus Eva Kruse, CEO van het Deense Fashion Institute en organisator van de Copenhagen Fashion Summit.